Twee keer opgericht?

Op 9 januari 1879 stond in een aantal kranten, die toendertijd in Breda en omgeving verschenen, een advertentie waarin de burgerij van de stad opgeroepen werd de volgende dag, de tiende, een algemene vergadering bij te wonen in het "Hof van Holland".

De ondertekenaars waren duidelijk niet tevreden over de schaatsmogelijkheden in en rond de stad, want het doel van de op te richten vereniging werd in de advertentie omschreven als "het verbeteren van de ijsbanen". Het was namelijk begin januari gaan vriezen en de behoefte aan een goede schaatsgelegenheid werd weer dringend.

De vergadering had resultaat. In dezelfde kranten, waarin de oproep was verschenen, werd bekend gemaakt dat er een ijsclub was opgericht ter bevordering van het ijsvermaak en de aanleg van geschikte banen. De jaarlijkse contributie zou vijftig cent bedragen en liefhebbers van de schaatssport konden zich inschrijven bij de vermelde bestuursleden of door in te tekenen op lijsten, die in verscheidene bekende Bredase koffiehuizen waren neergelegd.

Een lang leven was de nieuwe "Bredase IJsclub" niet beschoren. Op tien december 1883, 's middags om drie uur, werd nog een algemene ledenvergadering gehouden, maar na die datum is nergens meer een spoor van de vereniging te vinden. Het is erg verleidelijk te veronderstellen, dat juist vanwege het ter ziele gaan van de eerste ijsclub door andere mensen besloten werd nogmaals, en nu beter, een vereniging ter bevordering van het ijsvermaak op te richten.

De wijze van oprichten vertoonde veel overeenkomst met de voorafgaande. Weer waren het de kranten, die als het publicatiemiddel bij uitstek in die dagen, een ingezonden mededeling bevatte, dat er een "Vereeniging IJsvermaak" was opgericht en weer dienden geïnteresseerden zich in te schrijven bij de bestuursleden of door intekening op lijsten, te vinden in de bekende koffiehuizen. Daar lag ook het reglement ter inzage.

De vraag, die natuurlijk onmiddellijk oprijst is: bestaat er enig aantoonbaar verband tussen de eerste en tweede oprichting. Ja, in zoverre dat de tweede vereniging nodig was omdat de eerste ter ziele is gegaan en een aantal schaatsliefhebbers zich daar niet bij heeft neergelegd. Het antwoord is nee, in zoverre dat de oprichters van het definitieve IJsvermaak totaal andere mensen zijn dan die van de club van 1879. Een mogelijke schakel tussen de twee zou de naam Vermunt kunnen zijn. In 1879 kwam de naam voor, zonder initialen, onder de oprichters. In 1885 stond een Chr. Vermunt vermeld als een van de commissarissen van de nieuwe vereniging. De laatste was logementhouder van de Zwaan in de Boschstraat. Of het om dezelfde persoon gaat is echter moeilijk te achterhalen. Dat IJsvermaak is opgericht in februari 1885 weten we uit de kranten van die dagen. Dat het op vijf februari is gebeurd vinden we terug op de titelpagina van het tweede en derde notulenboek. Voor het overige is er over activiteiten van de vereniging in de eerste jaren na de oprichting weinig of niets te vinden.

De oprichters

Onder de advertentie, die op 15 februari in de Bredasche Courant verscheen, stonden ook de namen van de eerste bestuursleden en commissarissen vermeld. De laatste titel, tegenwoordig bij IJsvermaak niet meer in gebruik, werd gebruikt voor de leden van de commissies, die ieder hun eigen taak hadden. De benamingen spreken voor zich: baancommissie, wedstrijdcommissie, garderobecommissie, buffetcommissie. In totaal werden twaalf personen genoemd, zes bestuursleden en zes commissarissen. Met behulp van het Bredase adresboek was ook na te gaan wat hun beroep was.

Bestuursleden:

  • C.J. Kaub, kapitein bij de veldartillerie voorzitter
  • C.F. Loderer, directeur van de Zuider Stoomtram, secretaris
  • J. Ingen-Housz, geen beroep vermeld, penningmeester
  • H. de Bont, fabrikant, bestuurslid
  • W.Ph. Boogaert, eerste luitenant bij de cavalerie, bestuurslid
  • H.S. Hordijk, tweede luitenant bij de infanterie, bestuurslid

Commissarissen:

  • B.M. de Jonge van Ellemeet, rechter aan de Arrondissementsrechtbank
  • A.W. de Jonge van der Halen, eerste luitenant bij de veldartillerie
  • J.M. Marijnen, stadsarchitect
  • C.M. Taets van Amerongen, geen beroep vermeld
  • CH. Vermunt, logementhouder
  • J. van Voorthuijsen, kapitein bij de infanterie

Aan de lijst van namen te zien was de nieuwe vereniging bepaald geen club voor de gewone man of vrouw of de doorsnee inwoner van Breda. IJsvermaak heeft lange tijd, tot na de Tweede Wereldoorlog, de naam gehad een wat deftige club voor rijke mensen te zijn, waar je zo maar geen lid van kon worden.

In de algemene ledenvergadering van het jaar 1940, een moeilijk jaar voor de vereniging om meerdere redenen, uitte één van de aanwezige leden de beschuldiging, dat het bestuur bepaalde categorieën van mensen weigerde "als zijnde niet van standing". De inhoud van de aanklacht werd toen fel bestreden maar de lange naamlijst van bestuursleden toont wel aan, dat je om bestuurslid te worden in ieder geval wél behoorde - of moest behoren - tot de bovenmodale burgerij. Wie kon bovendien omstreeks 1900 de contributie van f 1.50 opbrengen, wanneer je daarbij bedenkt, dat het loon van een fabrieksarbeider zelden boven de tien gulden per week uitkwam en daar meestal onder zat.

Ook opvallend maar wel verklaarbaar is het naar verhouding grote aantal beroepsmilitairen, vijf van de twaalf, in het eerste bestuur. Als garnizoensplaats en stad van de K.M.A. is Breda voor haar maatschappelijk leven lange tijd verbonden geweest met de krijgsmacht.

> De IJsbanen