- Gegevens
- Gepubliceerd op donderdag 06 oktober 2011 22:02
De Groote Tent
Wanneer het ‘s winters vroor en de leden gebruik konden maken van de baan van hun vereniging was het gewenst, dat schaatsen in een beschutte ruimte aan- en afgebonden konden worden. Ook moest zo nu en dan de inwendige mens door spijs of drank versterkt kunnen worden. Met andere woorden: op of bij de ijsbaan was een club- of verenigingsgebouw nodig.
Voor de aanwezigheid van een onderkomen op de eerste baan in de Belcrum of de tweede in Boeimeer zijn geen bewijzen te vinden. Hooguit een aanwijzing. In 1909, toen de derde baan bij Bouvigne in gebruik genomen was, werd besloten tot verkoop over te gaan van wat genoemd werd “De Groote Tent”. Iemand had er f 775,- voor geboden. Uit het verslag van de bestuursvergadering van 12 juni van genoemd jaar blijkt, dat het ging om “garderobe en bestuurstent”, samen genoemd “de gebouwen van de vereeniging”. Een deskundige, die opdracht gekregen had de “gebouwen” te taxeren, vond het een prima bod en raadde aan het te accepteren. Nadat nog een poging was gedaan f 825,- te krijgen, veranderde de “Tent” definitief van eigenaar voor f 800,-.
Het motief om tot verkoop over te gaan was de slechte staat van het gebouw. Het eerste gebouw op de derde ijsbaan bij Bouvigne zal dus geen nieuw zijn geweest en moet bestaan hebben uit verplaatsbaar materiaal, waarschijnlijk hout. Het is niet onmogelijk, dat “De Groote Tent” ook al dienst gedaan heeft als clubgebouw op de tweede ijsbaan en misschien ook op de eerste.
Het Paviljoen
Toen in de bestuursvergadering van 2 oktober 1909 bevestigd werd, dat het oude gebouwtje verkocht was voor f 800,-, kwam tegelijkertijd een plan voor een nieuw gebouw ter tafel. Ontwerp en begroting waren al gemaakt. Besloten werd door aannemer Mol een nieuwe “Tent” te laten zetten voor een bedrag van f 3095,- Het contract met bestek en voorwaarden was al op 9 september daarvoor gesloten. Dit gebouwtje is het meest bekend geworden onder de naam Paviljoen of Paviljoentje van IJsvermaak en is voor enkele generaties Bredanaars en Ginnekenezen het symbool en herkenningsteken geweest van ijsplezier en IJsvermaak.
Het heeft bij de ijsbaan gestaan tot eind 1960. Toen was het nieuwe Markendael klaar en kon het worden afgebroken. Karakteristiek voor het buitenaanzicht waren de twee torentjes, het platte dak en het vakwerk van de buitenmuren. Binnen bevond zich een buffetruimte, een bestuurskamer en een garderobe.
De vereniging had nu een behoorlijk en ruim clubgebouw, maar steeds terugkerend probleem bleek al spoedig het feit, dat het gebouw de meeste tijd niet gebruikt werd. Alleen als de ijsbaan open was werd het paviljoen door leden en bestuur gebruikt. Buiten de vorstperiodes werden ook de algemene en bestuursvergaderingen elders gehouden, bij voorkeur in Café Moderne, de Beurs of “Zum Franziskaner”. De rest van de tijd stond het gebouw daar onbewaakt, niet geventileerd en onverwarmd.
Geen wonder, dat herhaaldelijk sprake was van herstelwerkzaamheden, noodzakelijk wegens de baldadigheid van de jeugd en het vocht, dat balken en vloeren deed rotten. Het bestuur meende een oplossing te vinden in verhuur aan andere verenigingen. In 1917 hadden voorzitter en secretaris het eigenmachtig verhuurd aan de voetbalclub Bredania. Een aantal leden, dat lid was van een concurrerende vereniging, protesteerde heftig en in 1919 werd de huur al weer opgezegd. Wat jaren later, in 1925, mochten de padvinders het voor onbepaalde tijd, voor een huur van twee gulden per week, gebruiken voor hun activiteiten. Wel kon met een maand de huur worden opgezegd, in geval de huurders toch niet bevielen.
Het onderhoud en het al of niet verhuren bleven steeds terugkerende discussiepunten op bestuursvergaderingen.
1940
In juni 1940 bleek de toestand van de vereniging, het terrein en het gebouw kritiek. Dat had, naast de algemene sfeer van ontmoediging als gevolg van de Duitse inval en overrompeling, een aantal andere tastbare oorzaken. De winter van 1939-1940 was streng geweest, met veel sneeuw, en had heel wat uitgaven aan baanvegers gevergd, terwijl de financiële toestand van de vereniging zeer slecht was. Er was dat boekjaar een nadelig saldo van f 282,- en er moest ook nog duizend gulden worden afgelost van een lopende lening. Door zeven ijsloze winters vóór die van 1939-1940 was het aantal leden en daardoor ook de contributieopbrengst drastisch gedaald bij gelijkblijvende gebruiks- en onderhoudslasten.
Daar kwam nog bij, dat in de meidagen van ‘40 terrein en gebouw door “vreemde militairen” waren gebruikt, die nogal wat vernielingen aan paviljoen en elektrische leidingen van de baan hadden aangericht. Met de vreemde militairen werden de soldaten van het Franse leger bedoeld, dat even het idee heeft gehad zich bij Breda, ten westen van de Mark, te weer te stellen tegen de Duitse opmars en daartoe de Bredase bevolking op zondag 12 mei dwong tot evacuatie van de stad.
De Franse legerleiding heeft door de snelle vorderingen van de Duitsers dat idee weer vlug laten vallen maar de sporen van de korte Franse aanwezigheid waren ook op het terrein van IJsvermaak achtergebleven. Het bestuur was door dit alles zo ontmoedigd, dat op de vergadering van 11 juni 1940 even het idee opdook de vereniging maar te liquideren. De gedachte werd snel de kop ingedrukt en vervangen door nieuw élan en maatregelen tot herstel.
De contributie voor een hoofdlid werd van vijf gulden op tweevijftig gebracht om de financiële drempel te verlagen. Een propagandacommissie werd in het leven geroepen, die in november van hetzelfde jaar al enige honderden nieuwe leden had geworven. In het seizoen 1939-1940 had het aantal hoofdleden 153 bedragen in november 1940 was het alweer 370. Er van uitgaande, dat elk hoofdlid gemiddeld twee bijleden meebracht bestond de vereniging eind 1940 uit meer dan duizend leden. Het bestuur werd ingrijpend gewijzigd door toetreding van vier nieuwe leden. Eén van de nieuwe mannelijke bestuursleden was Coen de Koning, Nederlands beroemdste schaatser uit de periode 1905-1920. Hij word éénmaal wereldkampioen, in 1905, driemaal nationaal kampioen en won in 1912 en 1917 de Elfstedentocht.
Wat het herstel betrof van terrein en paviljoen werd bij de provinciale commissie voor Herstel van Oorlogsschade een verzoek om vergoeding van reeds gemaakte kosten ingediend. Of die aanvraag is ingewilligd is uit de verslagen niet op te maken. Tijdens de discussies over de maatregelen om IJsvermaak er weer bovenop te helpen kwam ook de oude vraag terug of het niet beter zou zijn het paviljoen ‘s zomers te doen bewonen en exploiteren, zodat het beter bewaakt en gelucht zou kunnen worden en bovendien nog geld zou opbrengen.
Aan het einde van het oorlogsjaar 1944, wanneer Breda ondertussen bevrijd is, blijken weer herstellingen aan terrein en gebouw noodzakelijk. In hoeverre ze echter het gevolg waren van oorlogshandelingen is niet goed duidelijk. Na de Tweede Wereldoorlog vormde het gemeentebestuur van Ginneken geen belemmering meer voor een eventuele exploitatie van het paviljoen als Theehuis gedurende het zomerseizoen. Ginneken had in 1942 opgehouden te bestaan als zelfstandige gemeente. Verschillende plannen tot zomerexploitatie en bijbehorende verbouwing kwamen in de jaren 1945-1948 ter sprake.
Er werd zelfs een bouwcommissie in het leven geroepen, die plannen en kandidaatexploitanten op degelijkheid en betrouwbaarheid moest onderzoeken. Ook moest gekeken worden naar de financiële consequenties. Op het einde van 1948 leidde al deze moeite tot een overeenkomst met iemand, die al enige jaren bij opening van baan en paviljoen tijdens vorstperiodes de buffetexploitatie had, de heer Dames. Als tegenprestatie voor het recht van zomerexploitatie verplichtte hij zich gebouw en terrein met dijken, sloten en electrische verlichting in goede staat te houden. Zijn aanwezigheid in het zomerseizoen zou ook de schade als gevolg van de vernielzucht van de jeugd binnen de perken houden. De penningmeester rekende het bestuur optimistisch voor, dat de jaarlijkse besparing op onderhoudskosten minstens duizend gulden zou bedragen. In een latere schatting kwam hij zelfs op meer dan f 1.600,- uit!
De samenwerking met de eerste exploitant heeft echter niet de voordelen opgeleverd, die ervan verwacht werden. Er deden zich met name nogal wat financiële strubbelingen voor, die er tenslotte toe leidden, dat naar een nieuwe exploitant werd gezocht. Het werd Van Beek, voorheen caféhouder in België en Teteringen. Met deze tweede exploitant werd ook een tweede stap gezet in de ontwikkeling naar de huidige toestand. Had Dames bij de zomerexploitatie nog geen vergunning tot het verkopen van alcoholhoudende dranken, Van Beek had die wel, zij het, dat de drank- en vestigingsvergunning uitdrukkelijk gesteld werd op naam van IJsvermaak. Toen Van Beek met het verzoek kwam het paviljoen gedurende heel het jaar als gewoon café te mogen exploiteren werd hem dat nog geweigerd. Daarbij ging het duidelijk niet zozeer om de café-exploitatie als wel om de persoon van de exploitant.
In hetzelfde jaar 1958, dat met Van Beek het contract werd gesloten, trad het bestuur in onderhandeling met andere kandidaatexploitanten over veel grootsere plannen.
Markendael
Uit het voorgaande is duidelijk, dat onderhoud en beheer van het paviljoen voor het bestuur altijd een zware last zijn geweest, alleen al door het simpele feit, dat het gebouwtje te weinig gebruikt werd en daardoor gemakkelijk ten prooi viel aan baldadige jeugd en de omhoog kruipende vochtigheid van het drassige terrein.
Tijdelijke verhuur aan andere verenigingen, na de Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld een paar seizoenen aan Sprint en ook weer aan de padvinders, bleek geen definitieve oplossing. Er moest gezocht worden naar andere vormen van gebruik en beheer.
Het eerste stapje in die richting was gezet door de toestemming tot zomerexploitatie aan Dames, die al de winterexploitatie had tijdens vorstperiodes. De tweede stap werd gezet in de periode van Van Beek: het schenken van alcoholische dranken, naast andere, in de zomer, zodat het paviljoen in die maanden in niets verschilde van andere aan de bosrand gelegen cafés.
De derde stap werd voorbereid in dezelfde periode van Van Beek en betekende, zoals we zullen zien, het ontstaan van een volwaardig café-restaurant, niet meer in eigendom of beheer van IJsvermaak maar van een particulier, los van de vereniging, die in ijsperiodes nog contractueel verplicht was tot enige tegenprestaties, maar die met steeds meer tegenzin leverde, daar het nu niet meer op de eerste plaats ging om de belangen van de leden van IJsvermaak maar om de rendabele exploitatie van een horeca-instelling.
Tegen het einde van de vijftiger jaren bestond het paviljoen bijna een halve eeuw en de toegenomen exploitatie maakte een grondige verbouwing of vernieuwing steeds meer gewenst. Iets dergelijk ging echter de financiële middelen van IJsvermaak te boven en noodzaakte het bestuur naar andere wegen te zoeken. Al in 1946 was bij het bestuur een uitgebreid verbouwingsplan besproken voor een bedrag van f 40.000,-. Hero en Drie Hoefijzers werden daarbij als geïnteresseerde geldschieters vermeld.
Het plan was echter nog niet goed genoeg uitgewerkt en de financieringswijze te vaag en onzeker. De wens was bij een aantal bestuursleden al te zeer de vader van de gedachte geweest. De meerderheid was nog niet zover en voorlopig werd het paviljoen uit eigen middelen opgeknapt en tot de al genoemde beperkte zomerexploitatie over gedaan.
Gedurende het jaar 1958, waarin Van Beek de toestemming tot zomerexploitatie had gekregen, trad het bestuur serieus in onderhandeling met verscheidenen andere kandidaatexploitanten en kwamen de nieuwbouwplannen in een stroomversnelling terecht.
Architect Th. van den Meiracker, bestuurslid van IJsvermaak sinds de algemene vergadering van 1955, was aan het werk getogen, - in wiens opdracht is niet in de verslagen terug te vinden -, en kwam met een uitgewerkt nieuwbouwplan, dat in een speciale bestuursvergadering op 20 maart 1959 uitgebreid werd besproken. De kosten, inclusief aanleg van de verwarming en de verlichting werden op f 110.000,- geraamd. Voor de financiering zou nu een andere brouwerij, Heineken, willen instaan.
Het plan was deze keer zo grondig en serieus, dat opnieuw een bouwcommissie in het leven werd geroepen, bestaande uit Van den Meiracker en twee andere bestuursleden. Opdracht was alle voorbereidende gesprekken te voeren en maatregelen te nemen, die een goede afloop van het plan mogelijkzouden maken.
Nog elf bestuursvergaderingen, zeven in de loop van 1959 en vier in 1960, werden aan de nieuwbouw gewijd. Op de algemene vergadering van 20 november werd de leden verteld - er waren er maar zeven aanwezig - dat de heer Van den Meiracker in het afgelopen verenigingsjaar op het idee was gekomen ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan een nieuw paviljoen te realiseren.
Begin 1960 waren alle voorbereidende besprekingen en werkzaamheden beëindigd. Van de Staatsdomeinen was door IJsvermaak 3000 m2 van het terrein van de ijsbaan gekocht en de rest in erfpacht verworven. De 3000 m2 werden aan de uiteindelijke bouwer van het nieuwe paviljoen E.J. Adank, in eigendom overgedragen. De gemeente had een bouwvergunning afgegeven. Dat was nog even onzeker geweest daar het stadsbestuur aanvankelijk van plan was op de terreinen tussen Bouvigne en de Duivelsbruglaan een sportcomplex met vijf velden aan te leggen.
Gelukkig voor IJsvermaak bleek de grond voor de aanleg van sportvelden veel te drassig. Op 22 april ging de eerste spade de grond in en binnen een jaar, op 18 maart 1961 werd Markendael geopend door oud-bestuurslid van IJsvermaak, Mr. E.H. Toxopeus, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken. IJsvermaak had nu zijn nieuwe paviljoen. Het oude vertrouwde paviljoentje was gesloopt en de verwachting was nu, dat de leden bij vorstperiodes onderdak konden vinden in een goed onderhouden en beheerd gebouw.
Al spoedig bleek echter dat de belangen van IJsvermaak en de eigenaar van een café-restaurant op zo’n prachtige plaats gelegen aan de rand van Markdal en Mastbosch niet of nauwelijks parallel konden lopen. Uitgerekend op Eerste Kerstdag van het eerste winterseizoen na de opening van de nieuwbouw ging de ijsbaan open en was de exploitant-eigenaar contractueel verplicht de parterre van het paviljoen te ontruimen en ter beschikking te stellen aan de ijsclub. Dat ging dus niet en het bestuur, dat wegens de invallende vorst had zien aankomen, dat de baan wel eens met Kerstmis open zou gaan, had al goed gevonden, dat tijdens de Kerstdagen de zaal niet beschikbaar gesteld hoefde te worden als gezorgd werd voor een noodaccommodatie voor de schaatsers.
Die werd gevonden in de befaamde poffertjeskraam van Van Twist. Van een noodaccommodatie is door de eigenaar daarna iedere keer gebruik gemaakt. Eerst nog enkele malen van de poffertjeskraam, daarna van tenten, die door de exploitant op zijn kosten werden gehuurd bij de firma Havermans in Zundert. Het bestuur legde zich ieder winterseizoen min of meer gedwongen bij deze noodoplossing neer. In de vergadering van 13 januari 1964 kwam het al tot de conclusie, dat de belangen van IJsvermaak en Markendael te veel uiteen waren gelopen.
Vanaf dat moment begon een nieuwe periode van plannen maken, ofwel om het nieuwe paviljoen aanzienlijk uit te breiden, zodat IJsvermaak én Markendael tijdens ijsperiodes onderdak konden hebben, of om de noodaccommodatie een permanenter karakter te geven. Alle plannenmakerij werd achterhaald door de eerste brand van Markendael in de nacht van 11 op 12 januari 1972.
Klein Markendael
Het inwonen van IJsvermaak tijdens vorstperiodes in een café-restaurant was onmogelijk gebleken. Vandaar dat in de onderhandelingen met degene, die in 1974 de afgebrande resten van Markendael kocht, de gedachte boven kwam drijven, naast het nieuw te bouwen café-restaurant een apart gebouwtje met een vloeroppervlak van omstreeks 120 m2 neer te zetten ten behoeve van IJsvermaak, met toiletten, een loketruimte annex bestuurskamer en een wat grotere ruimte voor consumpties. Zo zouden de belangen van beide belanghebbenden tijdens ijsperiodes gehandhaafd kunnen blijven.
Het café-restaurant was al gereed in april 1975 maar “Klein Markendael” ook te bouwen op kosten van de nieuwe eigenaar, liet langer op zich wachten. Pas in oktober 1975 werd met heien begonnen. Het gebouwtje was gelukkig glasdicht en verwarmd, dus bruikbaar, toen reeds op 19 december van dat jaar de ijsbaan open ging.
Op 1 september 1976 ging alles opnieuw in vlammen op. Bij de wederopbouw in 1977 is het idee van de scheiding tussen Markendael en Klein Markendael gehandhaafd. Het idee was waardevol gebleken.
De IJsbanen < > Leden